0

We willen geen ambachtelijke poffertjes

Bij de consumentenbond is ophef ontstaan over het gebruik van de term ‘ambachtelijk’. Blijkbaar voeren allerlei producten in supermarkten die benaming onterecht.

Het product dat als voorbeeld wordt genoemd: ‘Oma’s poffertjes’, uit een Nederlandse supermarktketen.  ‘Ambachtelijke poffertjes’.

‘We zijn benieuwd naar deze oma’, schrijft de Consumentenbond. Nou ben ik best bereid iets over haar te vertellen.

photo originally published on http://www.consumentenbond.nl/campagnes/kletsplaatjes/Oma%27s-poffertjes-van-Lidl/

foto oorspronkelijk gepubliceerd op website Consumentenbond

De oma van de poffertjes komt waarschijnlijk uit de tweede helft van de negentiende eeuw of het begin van de twintigste, aan haar kapje, jurk en schort te zien. Ongetwijfeld zal zij haar poffertjes met de hand hebben gebakken (tenzij ze ze van de kermis haalde, want had ze wel een poffertjesplaat in huis?). Tot zover ambachtelijk dus. Maar wat stopte ze erin?

Het graan en de melk die we op de verpakking van de poffertjes zien, zal deze oma niet zelf hebben verbouwd (kippen hield ze misschien wel, voor de eieren). Tarwebloem en boekweitmeel kwamen vaak van de meelfabriek, zeker voor wie in de stad woonde. Melk kwam van melkveebedrijven – poffertjes werden trouwens vaak met water in plaats van melk en zonder eieren gemaakt. Gist kwam bijvoorbeeld uit de brouwerij, een grootschalig bedrijf, en later uit gespecialiseeerde fabrieken. Boter, tot slot, werd vaak in fabrieken gemaakt, waarbij ook kleurstof niet werd geschuwd, terwijl veel huishoudens zich tot het goedkopere margarine wendden: ook al niet ambachtelijk.

De vraag rijst of consumenten ooit van een product als supermarktpoffertjes zouden verwachten dat het met de hand gemaakt is en op dezelfde manier als zij het thuis zouden doen. Zij snappen heus wel dat je voor handgebakken poffertjes naar de kermis moet. Op de verpakking staat ook niet ‘met de hand gemaakt’, dus gelogen wordt er niet. ‘Ambachtelijk’ blijft ondertussen een betrekkelijk vaag begrip, en de commercie zal het wel nooit zonder zulke vage kwalificaties zullen stellen (‘heerlijk’, ‘de beste’, ‘authentiek’…).

En als er blijkbaar vraag is naar het veel goedkopere product dat de supermarkt verkoopt, ondanks dat dat minder lekker is, dan moeten winkelbezoekers dat misschien zelf weten? Want het is alleen door schaalvergroting dat zo veel mensen tegenwoordig de keuze hebben uit zo veel verschillende etenswaar. Als alles nog ambachtelijk gebeurde, nam u vanochtend waarschijnlijk geen suiker in uw koffie (en las u geen krant), at u geen koekje bij de thee, dronk u geen pilsje na het werk en at u geen varkenslapje.

Het ambacht past niet in ons huidige voedingspatroon; kleinschaligheid niet bij de maat van de wereldbevolking. De consument lijdt daar niet direct onder; hooguit de poffertjesbakker.

Zie ook Geschiedenis van de techniek in Nederland, deel I,  de poffertjesfamiliegeschiedenis van Henk Werk en WikiDelft.

0

Het raadsel van de anijsblokjes

Ook een historicus is consument. En als de dagen dan korter worden, dan grijpt die consument nog wel eens naar het blikje met anijsblokjes. Maar dit keer greep die mis.

DSC02880

Achterkant doosje anijsmelk nieuwe stijl. Foto door APHG (excuses voor de kwaliteit), CC BY-NC license.

In de lage landen is de boosheid niet van de lucht: De Ruijter is gestopt met het maken van anijsblokjes, en op huishoudblogs, de website van de Consumentenbond, Facebook en het consumentenprogramma Kassa vraagt men zich alom af wat men in ‘s hemelsnaam met de vervanger van de blokjes aanmoet: zakjes poeder.

Op de verpakking van de nieuwe zakjes doet De Ruijter ondertussen alsof er niets aan de hand is: er wordt gesuggereerd dat we hier met een klassieker van doen hebben.

Sommige klassiekers zijn sterker dan de tijd. En dat geldt zeker voor De Ruijter Anijsmelk.

Maar dan volgt iets dat nog vreemder is:

Al sinds 1928 maakt dit authentieke product deel uit van de rijke historie van De Ruijter.

Uiteraard is het doel van deze tekst een brokje (blokje?) nostalgie toe te voegen aan de zakjes suiker met anijssmaak, en daardoor de hogere prijs acceptabel te maken.

Maar wat lazen we vroeger op de blokjes?

Voorkant doosje nieuwe stijl. Foto door APHG.

Voorkant doosje anijsmelk oude stijl. Foto door APHG, CC BY-NC license.

Anijsblokjes van De Ruijter – sinds 1860.

Wil dat zeggen dat we, zonder het te weten, eigenlijk al sinds 1928 zakjes drinken in plaats van blokjes? Of hebben we hier te maken met een klungelig stukje geschiedvervalsing dat nadelig uitpakt voor De Ruijter? Of heeft de Ruijter juist iets rechtgezet waar het bedrijf vroeger niet helemaal eerlijk over was?

Nog zoiets vreemds: hoewel de eerdere blokjes met plantaardig vet (naast suiker, dextrose en anijsextract) waren gemaakt, bevatten zij 0,5 g vet per 100 g. De zakjes, met slechts suiker en anijsextract, bevatten daarentegen 1,2 g vet per 100 g. Zijn de meetmethodes veranderd; of bevat anijsextract wellicht een hoop vet?

Nog één ding: de blokjes moesten gedoseerd worden met

twee tot vier blokjes

per mok. De zakjes met

een tot twee zakjes.

Ergo 2 blokjes = 1 zakje? Toen bij deze recensent thuis de blinde proef op de som genomen werd, bleek de anijsmelk uit het zakje wel erg subtiel te smaken. Op de website van De Ruijter lezen we dan ook

De smaak van 1 anijsstaafje [jargon voor zakje] komt overeen met de smaak van ongeveer 1,5 blokje.

Dat maakt de zakjes nóg een stukje duurder, namelijk 3,4 keer zo veel. (Blokjes: EUR 0,88 voor 12 mokken bij 3 blokjes/mok. Zakjes: EUR 1,50 voor 6 mokken bij het equivalent van 2 zakjes/mok, dus EUR 3,00 voor 12 mokken. Prijspeil eind 2013.) (Dat de zakjes per 100 g meer kosten dan de blokjes, zoals hier en daar wordt opgemerkt, is niet gek: anijsextract is allicht duurder dan dextrose en plantaardig vet.)

Betalen we hier misschien vooral voor de prachtige gele, met aluminium gevoerde plastic zakjes? En de verwijderingsbijdrage hiervan?

Met deze hoop gefabriceerde raadsels heeft De Ruijter waarachtig een spannend produkt in de markt gezet. Een surprise mag je wel zeggen.

0

Zwarte Piet

In het verleden is geregeld beweerd dat het Zwarte Piet-probleem geen echt probleem is: alleen de grachtengordel zou zich er druk over maken. En die is immers geen ‘slachtoffer’ van racisme. Maar die vlieger gaat niet langer op. Helaas publiceerde de Volkskrant onlangs nog een artikel van die strekking (hoewel een deel van de informatie in het artikel zelf zijn titel tegensprak: ‘Slaaf? Hij wordt niet geslagen’, 24 oktober). Maar zaterdag werd toch heel duidelijk dat het probleem niet alleen door ‘witte’ mensen wordt ervaren (Anja Meulenbelt publiceerde een mooie fotoserie). En eigenlijk had dit al veel eerder duidelijk moeten zijn, want diezelfde Volkskrant en uiteraard ook intellectuelen zoals Gloria Wekker waren hier tientallen jaren geleden al mee bezig.

En Amsterdam, waar de kritiek zich inderdaad deels concentreert, is nu eenmaal een migrantenstad.

Blijft over de ‘beschuldiging’ dat het probleem het meest en het eerst door hoger opgeleiden werd en wordt benoemd. Maar is dat dan iets waarvoor ze zich zouden moeten schamen? Dat is immers hun functie?

Dit is het vervolg op een eerder stukje over Zwarte Piet.

You may find an English version here.

2

Bronzen Piet

De discussie over ‘Zwarte Piet’ is weer losgebarsten, dit keer heviger dan ooit.

Nederlanders die een Sinterklaasfeest proberen te organiseren in het buitenland lopen er al jaren tegenaan. De meeste Nederlanders binnen Nederland worden er pas sinds kort mee geconfronteerd: in de meeste culturen buiten Nederland roept Zwarte Piet tegenwoordig het beeld op van het ‘coon’-personage. Dit racistische typetje kan gevonden worden van minstrel shows en oude ansichtkaarten tot in na-oorlogse films.

Cartoon_Coon_ver1
Still uit de animatie “Scrub Me Mama With a Boogie Beat”, Universal/Walter Lantz cartoon studio, 1941, gepubliceerd op de website Authentic History, die nog veel meer beeldbronnen bevat.

Omdat zowel de ‘coon’ als Zwarte Piet vaak worden gespeeld door roze, d.w.z. Europees-uitziende mensen, concentreert de discussie over Zwarte Piet zich deels op huidskleur.

Gisteren bezocht ik een Engelse collectie van beeldhouwwerken. Tussen de Griekse goden en Romeinse keizers stonden daar ineens twee bronzen bustes. De website van het Musée d’Orsay biedt een foto van één ervan, die ik helaas niet mag reproduceren. (Dit is overigens waarschijnlijk een ander afgietsel dan dat wat ik heb gezien in Chatsworth House.)

De linker was Saïd Abdallah, een zogeheten Mayac uit het Koninkrijk Darfur (of was Darfu nu een sultanaat? Ik ben geen specialist, maar het lijkt erop dat de museumwebsite haar geschiedenis ook niet helemaal op een rijtje heeft). Beide beelden zijn gemaakt door de Franse kunstenaar Charles Cordier en tentoongesteld op de wereldtentoonstelling van 1851.

Saïd Abdallah en zijn metgezel vallen op tussen de andere verbeelde personen doordat ze er Afrikaans uitzien, door bijvoorbeeld hun brede neusvleugels en dreadlocks. Maar ze zijn niet Zwart. Ze zijn van brons. Doordat bronzen beelden altijd donker zijn (of dat na verloop van tijd worden), is huidskleur niet langer een bepalend kenmerk van de geportretteerde persoon. Anders dan schilderijen dwingen beeldhouwwerken de kunstenaar en de kijker hun huidskleurbril af te zetten. Dit zie je ook in tekeningen; van Dürer bijvoorbeeld.

DuererKatherina
Dit is Katherina, die in de zestiende eeuw in Antwerpen leefde. (Deze afbeelding en nog veel meer in de prachtige online Bibliotheca Surinamica.)

Verschillen in huidskleur verdwijnen dus. Maar er is iets nog veel belangrijkers dat Cordier en Dürer doen. Als kunstenaars richten zij zich op de persoon die voor hen poseert: op hun individuele uiterlijke en misschien ook wel innerlijke kenmerken. Hun werken zijn daadwerkelijke portretten. (Ik moet echter toevoegen dat Cordier de mensen die hij portretteerde ook als representanten zag voor de hele cultuur waar ze uit kwamen, en meewerkte aan de bredere ‘catalogus van volken’-beweging die in achttiende- en negentiende-eeuws Europa heerste).

De vraag is of Zwarte Piet niet te inwisselbaar is om ooit een portret van hem (of haar?) gemaakt te krijgen.

Nog een laatste noot, die juist te maken heeft met deze vraag of Zwarte Piet een man is, of een vrouw kan zijn, of geen van beide.

De voormalige ‘slaaf’ Saïd Abdallah heeft een naam. De persoon die ooit voor Cordier heeft geposeerd is nu nog bekend bij de musea die zijn buste tentoonstellen, bij historici, en bij de bezoekers die hem zien in zijn vereeuwigde vorm.

De buste naast hem wordt genoemd: ‘de Afrikaanse Venus’. Zowel in het museum dat ik bezocht als op de eerdere tentoonstelling in het Orsay geven de bordjes en de rondleidingen geen verdere informatie dan dat.

Maar zij is helemaal geen Venus: zij is een vrouw. En zij was niet zomaar ‘Afrikaans’ maar identificeerde zich waarschijnlijk net zo goed als Saïd Abdallah met een specifieke plaats in de wereld en in haar samenleving. De Europese neiging om Afrikanen niet als individuele personen te zien heeft zich hier uitvergroot, en dit houdt stand tot op de dag van vandaag: de – vrouwelijke – muze van de kunstenaar heeft geen naam; en de Afrikaanse muze al helemaal niet.

P.S. Later vond ik het Black Art Depot Today, dat vertelt dat het tweede portret Seïd Enkess voorstelt. Deze naam is helaas onbekend bij beide beroemde musea.